Loslaten is levenslang leren. Een blogpost met een droomsequentie …

Droom

We staan aan de rand van een groot zwembad. Er is een feest. In de ene helft is een watervoetbalmatch bezig. De Echtgenoot is ernaar aan het kijken maar vooral aan het kletsen, lachen en drinken met vrienden. Ik sta aan de andere (lege) helft van het zwembad naar M. te kijken die in het water aan het spelen is. Een fractie van een seconde kijk ik naar de Echtgenoot en dan terug naar het zwembad. M. is verdwenen. Een meisje roept: M., M. is weg! We zien haar naar de bodem zakken. Wel zes mensen springen in het water. Ik spring ook, althans dat denk ik, maar als ik mijn ogen opendoe blijkt dat ik nog altijd geblokkeerd langs de kant sta. Ik sta te roepen en te huilen, ik denk dat ze al dood is. M. wordt uit het water gehaald. Ze leeft nog. Ik voel me de slechtste moeder ter wereld. Mensen kijken me boos aan en zeggen me: wat een idee ook, dat kind kan toch nog niet zwemmen. Alsof mijn schuldgevoel nog niet groot genoeg is. De Echtgenoot verwijt zichzelf niets. Andere mensen verwijten de Echtgenoot niets.

Ik word wakker. Oef, het was maar een droom. Maar wel een droom die me griezelig veel vertelt over de verpletterende verantwoordelijkheid die ik mezelf aanpraat als het mijn kinderen aangaat.

Het zevenkoppige monster genaamd schuldgevoel

‘Ge zijt zo katholiek soms’ of ‘ge zijt zo West-Vlaams soms’, zegt de Echtgenoot vaak. Ik denk dan: ‘Nee, ik ben gewoon een Moeder’. Want wat hij bedoelt is: ‘gij met uw schuldgevoel altijd’. Het is een zevenkoppig monster. Het zit in mijn hoofd en ik kan het niet bedwingen.

Ik voel me: Constant. Schuldig. De hele tijd. Het houdt niet op.
Ik voel me schuldig tegenover de kinderen omdat ze niet genoeg bij mij zijn.
Ik voel me schuldig tegenover de kinderen omdat ik hen niet genoeg aandacht geef als ze wel bij mij zijn.
Ik voel me schuldig tegenover het ene kind wanneer ik het andere aandacht geef, en je hoort me al komen, ook omgekeerd.
Ik voel me schuldig tegenover Kind 1 wanneer ze Kind 2 bij ons in bed ziet liggen.
Ik voel me schuldig tegenover Kind 2 wanneer ik ’s avonds zoveel werk heb aan zijn zus dat hij zichzelf maar wat moet bezighouden.
Ik voel me schuldig wanneer ik mijn kinderen in de crèche afzet waar er te veel kinderen voor te weinig personeel zijn.
Ik voel me schuldig wanneer ik Kind 1 brood geef van een dag oud. Of wanneer ik haar weer maar eens fish sticks geef, omdat ze dan tenminste íets eet.

Zo kan ik nog wel even doorgaan, maar you catch my drift.

Verpletterend verantwoordelijkheidsgevoel

Ik voel me voortdurend schuldig, omdat ik me ook zo vreselijk verantwoordelijk voor hen voel. Ik voel me eindverantwoordelijke voor hun fysieke, mentale, intellectuele en emotionele ontwikkeling.

Ik ben geen perfectionist, nooit geweest. Behalve als moeder. Voor mijn kinderen is perfect nog niet goed genoeg. Ik stel mezelf constant in vraag. Ik vraag me voortdurend af of ik het wel goed genoeg doe. Dit zijn maar enkele vragen waar ik elke dag tegenaan loop.

Hoe leer ik hen zelfvertrouwen zonder dat ze denken dat ze al slim zijn en dat de rest vanzelf komt?
Hoe leer ik hen voorzichtig zijn zonder angstig te worden?
Hoe leer ik hen vertrouwen te hebben in de mensen zonder naïef te zijn?
Hoe leer ik hen behulpzaam te zijn zonder dat ze over zich heen laten lopen?
Hoe leer ik hen dat mama onvoorwaardelijk van hen houdt en er altijd zal zijn, zonder dat ik mezelf verlies, alleen nog mama ben en niet meer Sofie?

Ik moet leren loslaten

Ik denk dat dat allemaal op mijn schouders rust. Maar dat doet het niet.

Ik moet leren dat ik maar één van de invloeden op hun leven ben.
Ik moet leren dat hun emotionele ontwikkeling niet staat of valt met één woord dat ik zeg of een gebaar dat ik stel.
Ik moet leren dat hun zelfvertrouwen niet afhangt van mijn reactie op die ene tekening of uitspraak.
Ik moet leren dat ze niet elk moment van de dag blij moeten zijn om gelukkige mensen te worden.

Ik moet de lat voor mezelf niet hoger leggen dan voor anderen.
Ik moet leren dat ik ook een goede moeder kan zijn zonder perfect te zijn.
Ik moet leren dat goed genoeg echt goed genoeg is.

Ik moet leren loslaten.

Ik. Moet. Leren. Loslaten.

It takes a village to raise a child. Ik moet niet dat hele dorp willen zijn.

Welkom herfst, ik heb op je gewacht

Ik ga slapen. Ik heb morgen wel pijn.
(Herman de Coninck)

Enkele jaren geleden schreef ik – op de verjaardag van mijn mama zie ik nu – deze ode aan de herfst. Dit jaar ben ik opgeluchter dan ooit dat het bijna zover is. Bijna herfst. Het regent al. Het was een broeierige zomer. Four funerals and a wedding. Behalve dat trouwfeest is er over deze zomer niet veel goeds te vertellen. Ik vind dat hitte verdriet zwaarder maakt dan het al is.

Veel mensen associëren zomer met rust. Het is vakantie, niets moet. Bij mij werkt dat niet zo. In de zomer heb ik het gevoel dat ik vanalles moet. Ik moet van de zon genieten en altijd buiten zijn, maar tegelijk is er binnen zo veel te doen. Daar word ik dan ongelukkig van omdat ik niet genoeg tijd heb om het allemaal te klaren. Nu het herfstig weer is, kan ik rustig in de zetel blijven zitten, een theetje drinken en genieten van de voorgeschreven rust. Als het regent en koud is buiten, kom ik tot rust.

Wake me up when september ends

Wake me up when september ends. Dat zet ik elk jaar op facebook. Want sinds mijn onnoemelik verdriet is september ook niet bepaald mijn lievelingsmaand. Dit jaar neem ik het letterlijk. Op voorschrift van de dokter blijf ik nog een maand thuis. Overdag bijslapen wat Kind 2 me ’s nachts niet gunt.

En dan hoop ik dat ik er in oktober weer sta. Dat ik mijn prikkels weer kan verwerken en het gewone leven weer aankan. Dat ik weer kan slapen zonder elke nacht te dromen dat onze kinderen uit een rubber bootje vallen op volle zee, in de auto vergeten worden tijdens een hittegolf, of kwijt geraken in Planckendael. Dat ik weer gesprekken kan hebben zonder achteraf te liggen woelen om de losse eindjes te reconstrueren. Dat ik weer naar een onnozele film als ‘The queen’ kan kijken zonder de rest van de nacht aan Diana te liggen denken. Dat in slaap vallen niet meer zo letterlijk aanvoelt, alsof ik in een diepe diepe put val.

Ik schrijf dit op en merk hoe triestig het weer allemaal moet klinken. Maar ik ben niet pessimistisch. Ik geloof erin. ‘Na regen komt kracht’, schreef Prinses. Ik heb in mezelf een kracht ontdekt die ik voorheen niet kende. Als ik nu nog een beetje kan rusten, weet ik dat ik daarna met die kracht heel veel zal kunnen doen.

Het is een luxe dat het enige medicijn dat ik nodig heb om beter te worden slaap is. Het is een luxe dat ik in september mijn kindjes drie dagen per week naar de crèche kan sturen, zodat slaap niet langer een onbereikbare droom is, zoals de afgelopen maanden. Het is een luxe dat ik dat mag en dat ik dat kan.

Dus: wake me up when september ends.
Welkom herfst, ik heb op je gewacht.

Komt een moeder bij de kinderarts

Ik heb al veel gehoord over kinderartsen die geen snars van borstvoeding snappen. Nu heb ik het zelf meegemaakt. Ik ben vorige week ge-Nestlé-d.

Kind 2 huilt veel, vooral ’s avonds. Ik denk: krampjes of reflux. Dus ik naar de dokter. Ik vraag op een borstvoedingsforum de naam van een borstvoedingsvriendelijke kinderarts. Wanneer die niet beschikbaar is, denk ik: de eerste de beste kinderarts zal ook wel goed genoeg zijn. My bad.

Nestléfied

Kinderarts weegt kind. Kind blijkt veel te mager. Honger. Het kind had honger, daarom huilde hij. Mamafail. Maar aan de andere kant ook niet, want als moeder zit je veel te dicht op je kind, zeker als je borstvoeding geeft. Je kan dat niet zelf zien. Je hebt daar een extern paar ogen voor nodig. Ik heb het met Kind 1 ook meegemaakt, en nu dus weer. Het is niet onlogisch dat hij honger heeft. Ik heb een borstontsteking gehad en daarna ook best veel meegemaakt, en veel te weinig geslapen, waardoor mijn lijf niet optimaal is om er twee mensen mee in leven te houden.

Tot zover kon ik dus volgen. Maar dan het advies van die dokter. “Starten met ingedikte pap. Afbouwen naar 5 of 6 voedingen per dag. Flessen van 200 ml. Hier, twee stalen Nan. En als je het niet kan laten, die borstvoeding, kolf dan maar even af.”

Ik was verbouwereerd en ben beginnen huilen toen ik buiten kwam.

Melk, zweet en tranen

Kijk, die dokter kan niet weten welke drempels ik overwonnen heb om borstvoeding te kunnen blijven geven. Vastberaden opnieuw proberen na een moeilijke eerste borstvoedingservaring. Kolven op de sterfdag van mijn moeder. Met stuwing rondlopen op haar begrafenis. Een borstontsteking overwinnen en intensief relacteren. (Minder succesvol dan ik dacht, blijkt nu.) Melk, zweet en tranen. Ik was er niet goed van dat die kinderarts met haar lompe poten en haar Nestlé Health Agenda zonder verpinken zei: “Uw borst is niet goed genoeg, uw kind is te mager”. Slechtemoederalarm!

Nadat ik even gehuild had, heb ik drie dingen gedaan:
– Ik heb mijn vervolgafspraak geannuleerd.
– Ik heb mijn vroedvrouw opgebeld.
– Ik heb me even doof gemaakt voor iedereen die zei ‘borstvoeding is het beste’ of ‘geef hem algauw een fles’ en ben bij mijn eigen gevoel te rade gegaan.

De conclusie van dat laatste is dat mijn zoon nog steeds borstvoeding krijgt, maar dat dat niet meer zijn enige bron van leven is. Het haalt de druk van mijn schouders. Hij krijgt voldoende eten van ergens anders, maar hij krijgt ook nog twee keer per dag en ’s nachts Het Allerbeste van mij. Ik vind het goed zo. Andere moeders hadden in mijn plaats ongetwijfeld andere keuzes gemaakt en dat is oké. Dit is mijn kind en dit is mijn keuze. En die keuze is de beste die ik momenteel kon maken voor ons allebei.

Vroedvrouwen for the win!

En overigens. De vroedvrouw kwam, woog het kind en zei dat ik goed bezig was. Want als ik zijn curve bekijk – die hoe dan ook te veel is gezakt na die borstontsteking, dat zie ik ook – dan is de weging van de kinderarts een dal. Ze heeft haar weegschaal ongetwijfeld ook van Nestlé gekregen.

Een Nobelprijs voor alle vroedvrouwen graag!Curve Thomas 5 maand

Generation Flink

‘Ik ga niet zeggen dat je sterk moet zijn, want je moet niets, je moet helemaal niets. De zon komt elke dag op en gaat elke dag onder en jij moet daar helemaal niets voor doen. Gewoon jezelf zijn, dat is al goed genoeg.’ Ik heb mijn vroegere onthaalmoeder aan de lijn, maar bovenal is ze de mama van Meggie, mijn beste vriendin. Ik neem het van haar aan. Ze is haar ouders jong verloren, maar veel erger nog, in één klap twee kinderen. Ze heeft moeten meemaken dat mensen over haar zeiden: ‘ach, maar ze heeft er toch nog drie’. Alsof dat haar verdriet minder groot maakt. Ze weet als geen ander wat verdriet is, hoe je toch nog de kracht kan vinden om verder te leven en ze kent mij van voor ik me van mezelf bewust werd.

‘Ik wil je nu niet meer zien huilen, je moet flink zijn‘, zei madame Q. twee dagen nadat Meggie en Wendy verongelukt waren. Alsof ik godverdomme mijn knie pijn gedaan. Nee, ik was net mijn beste vriendinnetje verloren, dat als een soort van zus voor me was. En ik moest flink zijn van dat mens. Hoe jong ik ook was (11), ik was al wijs genoeg om te weten hoe dwaas het was om zoiets te zeggen tegen iemand met verdriet. Ik ben het nooit vergeten. Ik heb het haar ook nooit vergeven. Natuurlijk mocht ik wel huilen. Ik moest huilen! Wat voor mens zou ik anders zijn.

‘Flink zijn’. Ik ben blij dat ik deel uitmaak van een generatie die stilletjes aan heeft besloten dat flink zijn niet hoeft, dat je ook wel gewoon kwetsbaar mag zijn. Ik heb al eerder een pleidooi voor kwetsbaarheid gehouden. Ik blijf het griezelig vinden om mezelf hier zo kwetsbaar op te stellen. En op één of andere manier vind ik het zelfs comfortabeler om te denken dat ik alleen voor wildvreemden schrijf dan voor pakweg mijn tante die aarzelend bekent dat ze dit ook leest. (Dat mag, uiteraard, anders zou ik het niet schrijven.)

Ik schrijf hoewel ik er geen tijd voor heb. Omdat het mijn manier is om met mijn pijn om te gaan. Omdat ik zelf ook troost vind bij andere bloggers* en omdat het deugd doet dat we elkaar harten onder riemen kunnen steken. In de hoop dat ik ergens een lotgenoot bereik die zich herkent in mijn verhaal. Daarom probeer ik nu en dan een momentje te stelen om te schrijven en te delen en lieve woorden terug te krijgen van andere mensen.

Door hier te schrijven heb ik al zo veel mooie, troostende woorden gekregen uit onverwachte hoeken. Het verandert niets aan het feit dat ik mijn verdriet alleen moet dragen, maar elk bericht geeft me weer een nieuwe adem om het verdriet mijn leven niet te laten overnemen. Hoewel ik jullie berichten niet altijd beantwoord, betekenen ze heel veel voor me. Bedankt.

* De twee schoonste o zo kwetsbare maar o zo troostende en o zo sterke blogs vind ik deze:
https://prinsesopdekikkererwt.wordpress.com/
https://lecoeuramareebasse.wordpress.com/

Moederdag in Antwerpen

Ik ben gelukkig nog niet genoeg geïntegreerd om dit de echte Moederdag te vinden. Anders was dit voorwaar een vreselijke dag geweest. Maar ik wil er ook niet aan voorbijgaan zonder iets te zeggen. Daarvoor heb ik in de winkels te veel ‘liefste mama’-kaartjes gezien de afgelopen dagen. Ik kan duizend-en-één dingen schrijven over mijn mama. Dat doe ik ook. In de vorm van kleine notities in Evernote. Ooit ga ik daar coherente teksten van maken. Maar nu maak ik het mezelf even gemakkelijk door een oude ode aan mama op te rakelen. Het gaat over valse plooitjes en een ideaalbeeld dat buiten bereik ligt:

https://poffie.wordpress.com/2014/04/21/valse-plooitjes/

Zondag de negende

Negen maanden geleden schreef ik dit. Het was bedoeld om hoopvol te klinken, maar ik wist – vreesde – zelf wel beter toen ik het schreef.

Nu is het voor echt. De begrafenis is achter de rug. Alle kaartjes en rouwberichten gelezen. Iedereen heeft zijn leven hervat. Maar voor ons begint het pas. Ik voel zo veel. Ik voel dingen die ik absoluut niet verwacht had, en ik voel dingen niet die ik wel verwacht had.

Wat ik voel.

Verdriet.Te groot voor woorden.

Woede. Ik ben zo kwaad op alles en iedereen. Ik kan niets loslaten. Niet dat een willekeurige kennis van mijn vader telefoneert en zonder zich voor te stellen roept: ‘alloooooo is mama dood?’. Niet dat één onnozele bloedklonter zoveel kan kapotmaken. Niet dat mijn moeder me werd ontnomen op een moment dat ik haar nog zo hard nodig heb. Niet dat de wereld gewoon verder draait, zonder haar.

Vermoeidheid. Achttien maanden lang ben ik overprikkeld. Continu spartelen om het hoofd boven water te houden. Aan het einde van mijn energie heb ik altijd nog een stukje dag over. Dat stukje dag is steeds groter geworden tot er nu niets meer van overblijft.

Eenzaamheid. Ik heb me nog nooit zo verlaten gevoeld in mijn leven. Als ik mijn kinderen knuffel, voel ik een koude bries over mijn rug. Omdat ik zelf nooit meer de geborgenheid zal voelen die ik hen probeer te bieden. Ik heb het gevoel dat ik nooit meer achterover kan leunen, want er zal niemand zijn om me op te vangen. Als ik de nood voel om erover te praten, loop ik in mijn hoofd het rijtje af van mensen die ik zou kunnen opbellen. Niemand voldoet. Ik wil mijn mama bellen.

Vlak voor ze stierf – de dokters waren er al – wierp ze me vanuit haar zetel een troostende blik toe. Alleen een moeder kan troosten met een eenvoudige glimlach. Alleen een moeder kan je zoveel vertrouwen geven door gewoon naar je te kijken. En ik dacht: wat zit je me nu te troosten, straks moet ik het alleen doen. Straks, dat was toen letterlijk: over een kwartier. Over een kwartier begint de rest van mijn leven, zonder jou. Ik zei: “Ik heb al veel verdriet gehad in mijn leven, maar ik heb het nog nooit zonder jou moeten doen.” Ze glimlachte, en had er duidelijk vertrouwen in dat ik het kon.

Angst. Plots ben ik bang voor het donker. Plots ben ik bang voor het onweer. Soms slaap ik met het licht aan. Ik heb nachtmerries over de laatste uren. Van die nachtmerries waar je buikpijn van krijgt. Dan word ik wakker en besef ik: dat hebben we echt meegemaakt.

Leegte. Nog nooit heeft een plek zo leeg aangevoeld als het ouderlijke huis zonder haar, die ene nacht vorige week toen Mehdi met de kinderen naar huis was gegaan. Ik voelde de kilte van dat lege huis in elke porie van mijn lijf. Ik bleef maar luisteren tot ik haar zou horen thuiskomen, de oprit oprijden, de voordeur achter zich dicht laten vallen. Ik wist dat het niet kon. De negen maanden dat ze gehospitaliseerd was vorig jaar moet dat huis even leeg zijn geweest, maar toen was het nog gevuld met hoop. Hoop kan een lege plek veel voller doen lijken.

Trots. Trots op wat we voor haar hebben gedaan. Achttien maanden lang hebben we haar gesteund. We hebben dat volgehouden tot in haar laatste minuten. We hielden haar vast terwijl ze stierf. Ik ben ook trots dat ik grote zus mag zijn van twee bijzondere mensen. Trots dat ik deel mag uitmaken van het sterke blok dat wij met zijn allen gevormd hebben. Maar ook trots op de uitvaart die we voor haar in elkaar gestoken hebben. Aan zeker 450 mensen hebben wij daar verteld wie wij kwijt zijn en waarom we daar zoveel verdriet over hebben. Aan zeker 450 mensen hebben we uitgelegd waarom haar keuze voor euthanasie niets met opgeven te maken had, integendeel.

Medeleven. Een week geleden hebben we mama begraven. Mijn neef en nicht hebben gisteren op exact dezelfde plek de begrafenis en de koffietafel voor hun moeder gehad. Na een veel langere lijdensweg die in bepaalde opzichten gelijkaardig was maar ook totaal anders. Haar ongeluk met zware hersenletsels als gevolg was de hele reden dat mama met haar LEIF-papieren bezig was ongeveer twee maanden voor ze haar spraak verloor. De lijdensweg van mijn tante heeft het voor ons zo veel gemakkelijker gemaakt om het vreselijke woord euthanasie tegen mama uit te spreken.

Het was confronterend om naar die begrafenis te moeten, amper één week later. Natuurlijk was het dat. Verdubbeling van verdriet in de hele familie. Maar ik put er ook troost uit dat we ondanks dat immense verdriet nog in staat zijn om medeleven te voelen. Zij voor ons. Wij voor hen. Wij voor elkaar.

Wat ik niet voel.

Opluchting. Dat had ik nochtans wel verwacht. Opluchting omdat haar verdriet weg is. Opluchting omdat zij ervan af is. Maar het tegendeel is waar. Nu ze niet meer fysiek aanwezig is, nu ik niet meer geconfronteerd word met haar beperkingen en haar pijn, besef ik elke dag meer en meer wie ik kwijt ben. En wie ik kwijt ben is zoveel meer dan wie mama de laatste achttien maanden was. Het gemis is zo groot dat ik zelfs niet een klein beetje blij of opgelucht kan zijn.

And the world, spins madly on

’t Is erg mo we moetn der deure’. Dat zei ze helemaal in het begin. Dat moeten wij nu ook. Dus ik probeer mezelf tijd te gunnen. Tijd en rust. Tijd en rust zijn sowieso kostbaar goed met twee kleine kinderen, maar o zo nodig.

Ik spreek af met vrienden om tot in den treure mijn verhaal van me af praten. Maar ik probeer ook nu en dan alleen zijn, lange wandelingen te maken en heel veel na te denken. Ik probeer mijn verdriet van me af te wandelen. Voet voor voet voor voet, het heeft iets therapeutisch. Ik speel de film van het afscheid eindeloos af in mijn hoofd en voel dat dat helpt bij het verwerken.

Veel mensen hebben me aangeraden om mild te zijn voor mezelf. Dat probeer ik ook. Niet te veel moeten moeten. Blij zijn met kleine dingen. Als ik erin slaag om mijn beide kinderen in bad te steken en dat ze er nog van genieten ook, heb ik een goede dag gehad. Het is niet veel, maar ik wil de lat voor heel even niet te hoog leggen voor mezelf.