Categorie archief: sandwichgeneratie

Ik wil het allemaal! (en dat is heus niet zo veel)

Sofinesse scheef vorige week weer een hartenkreet. Ik begrijp haar. Volkomen. Dat ze niet zomaar minder kan gaan werken maar zich daar ook niet altijd goed bij voelt bijvoorbeeld. Dat ze er wil zijn voor haar zonen, maar ook niet alleen mama wil zijn. Ik begrijp ook de vele reacties van mensen. Het is altijd makkelijker om een ander zijn problemen op te lossen dan je eigen problemen. Maar mensen zijn soms heel hard in hun oordeel. Dat begrijp ik dan weer niet. Mild zijn voor elkaar, daar schreef ik al over. En ook Lilith pleit voor een mildere herfst.

Ik heb er zelf ook een beetje ervaring mee. Ge kunt niet geloven wat voor bagger ik over me heen kreeg toen dit portret verscheen. “Die wijven moeten eens stoppen met zagen”, is er één die is bijgebleven. Het heeft me niet gekwetst, maar ik vraag me wel af welke soort mens je moet zijn om zoiets te zeggen tegen iemand die zich kwetsbaar opstelt. Ik heb er dan nog voor gekozen om door Hart Boven Hard geportretteerd te worden. Sofinesse gebruikt haar eigen blog en daar doe je toch vooral gewoon wat je zelf wil.

Eén dingetje dat me in het bijzonder is bijgebleven van de #femmablogschool en dat ik gisteren niet vermeld heb, is deze uitspraak van mama van vijf: “Het kostbaarste dat ik heb is tijd. Ik kies zelf wie of wat mijn tijd waard is. Als die mensen tijd hebben om bagger over mij heen te gooien, dan is dat hun probleem, niet het mijne.” Een wijze les van een ervaren mama en blogster. Eentje om te onthouden.

Combineren, combineren, wie zijn best doet, zal het leren

Maar ik heb wel nog een bedenking bij de post van Sofinesse. Ze zegt zelf dat ze van niemand een oplossing verwacht en dat is haar volste recht, maar daar ben ik het zelf niet helemaal mee eens. Kijk, ik heb het nooit onder stoelen of banken gestoken dat ik veel voel voor het combinatiedossier van Femma. Nu zit ik ook nog in de Raad van Bestuur van Femma en is het helemaal officieel: ik ben vóór de dertigurenweek, verplicht vaderschapsverlof en betere mantelzorgverloven. Voilà.

Die voorstellen zijn de broodnodige actualisering die de samenleving nodig heeft. Het kostwinnersmodel werkt niet. Punt. Er moet naast tijd om te werken ook tijd zijn om te zorgen. We mogen als maatschappij een gezond respect hebben voor mensen die zorg nodig hebben. Of het nu onze ouders zijn die ook voor ons gezorgd hebben, of het zijn kinderen die met een veilige hechting een goede start in het leven krijgen. En we mogen ook wel verwachten dat iedereen die zorgt niet zichzelf voorbij holt. Zoals ik de laatste maanden heb gedaan. Zoals ik zoveel mensen om me heen zie doen.

Misschien moeten we om te beginnen al eens ophouden met onszelf voor te houden dat we “het niet allemaal kunnen hebben. Allemaal, dat is immers niet zoveel. Dat is: een beetje werken, een beetje zorgen, een beetje tijd kunnen maken voor jezelf. Dan heb ik dus niet eens over dure hobby’s of verre reizen. Want daar hoor ik de ploetermoeders, sandwichvrouwen of mensen op het randje van een burn-out dus nooit over.

Dus ik durf te zeggen: ik wil het wel allemaal en dat is heus niet zo veel. Dit wijf gaat alvast niet stoppen met zagen voor het zover is.

Advertenties

Waar is omabeer?

Ze kan bijna tot tien tellen. Maar is ze ook groot genoeg om te begrijpen dat doodgaan voor altijd is?

Martha was tien maanden toen mama een beroerte kreeg. Ze herinnert zich niets meer van de oma die dolverliefd op haar was, van de oma die met zoveel liefde voor haar gezorgd heeft de eerste keren dat ik weg moest maar ik daar nog niet klaar voor was, van de oma die haar de ‘Liefste, Braafste, Schattigste, Mooiste, Hartveroverendste Baby ter wereld’ vond (haar woorden). In Martha’s beleving is het altijd zo geweest dat oma niet kan praten, haar niet kan oppakken, met een stok wandelt, en moeilijk uit haar bed geraakt. Ik heb dat nooit benoemd tegen haar. Ze was immers nog een baby.

Maar hoe moet ik haar uitleggen dat we nu nog naar oma en opa gaan, maar binnenkort alleen nog naar opa? Dat oma weg is en waar ze dan is? Dat ze niet meer naar oma’s kamer moet lopen om te zeggen: ‘oma, goeiemorgen, opstaan?’ Dat ze niet meer aan oma zal kunnen vragen: ‘Martha wil een koekje. Appeslieft’. Dat oma nooit meer terugkomt en wat dat betekent: ‘voor altijd’.

Ik lees haar voor uit boekjes over dode eekhoorns en dode omaberen. Ze luistert aandachtig, zo aandachtig. Nu en dan herhaalt ze zelf: oma is ziek en mama is verdrietig. Maar wat zeg ik haar, straks, als oma dood is? Ik kan haar niet zeggen dat oma voor altijd slaapt, want misschien wordt ze dan bang om te gaan slapen.

omabeer

Ik weet dat er boeken over zijn geschreven. Bijvoorbeeld door mijn nonkel. Maar er is een peuter en een baby, borstvoeding en onderbroken nachten, veel verdriet en vermoeidheid die nooit groter is geweest. Er is zoveel van me af te schrijven als ik eens een hand vrij heb (tijdens het voeden) of heel soms eens twee (zelden). Lezen doe ik dus niet echt, momenteel. Ik heb alleen mijn gevoel om te volgen.

Lilith schreef een tijdje geleden over sterrenoma’s. Dat vind ik een mooi idee. Het is misschien wat vreemd om van iemand die resoluut niet gelooft in leven na de dood een sterrenoma te maken. Maar beter een sterrenoma dan een vergeten oma.

Stoute mama

Stoute mama, zegt ze, en ze slaat. Ik ben een nacht en een dag naar mijn ouders geweest, zonder kinderen. Dat voelt tegennatuurlijk aan, maar alles aan deze situatie voelt nu eenmaal niet zo juist aan. Ik heb ze achtergelaten bij hun papa en zijn familie in het vakantiehuisje in Zeeland. De laatste minuten van de twee uur durende rit telde ik mee met de gps. Nog vier en een halve minuut tot mijn kindjes. Nog drie minuten tot mijn kindjes. Nog anderhalve minuut tot mijn kindjes.

Dan zie ik hen en krijg ik op mijn kop. Letterlijk. Rustig leg ik uit dat ik begrijp dat ze kwaad is omdat mama weg was, maar dat ze daarom nog niet mag slaan. Ik weet dat het weer tijd en energie zal kosten om het goed te maken. Ik mag nog dertig keren uitleggen dat mama verdrietig is omdat oma ziek is. Dat oma er niet meer lang zal zijn. Ze kijkt me aan alsof ze het begrijpt. Maar hoe zou een kind van nog geen 2,5 zoiets moeten begrijpen. 

Ik mag niet vergeten dat Martha ook nog een heel klein meisje is dat heel erg haar mama nodig heeft. Ze kreeg een broer en sindsdien is mama nooit meer alleen haar mama geweest. Altijd hangt haar broer aan mama’s lijf, aan de borst, in de draagdoek, in bed. En het lijkt alleen maar erger te worden. Nu is mama verdrietig, moe en ongeduldig. En soms gaat ze weg, zonder kindjes, naar oma. Stoute mama. 

een sterke vrouw

“Gie ziet toch gin geweune.” Dat zeg ik haar. Ze laat haar kruk los en gaat vervaarlijk door haar knieën om Martha’s speelgoed op te rapen. Wie met haar beperkingen zou zich daaraan wagen? Maar wat doen we haar ook aan. Haar huis is altijd spik en span geweest. Drie kinderen, een veeleisende job en toch lag alles altijd op zijn plaats. Mijn huis lijkt in niets op dat van haar. Van haar orde en praktisch inzicht heb ik niets geërfd. En de laatste weken van haar leven laat ik de rommel overal rondslingeren. Twee kinderen + geen slaap = geen tijd om rommel op te ruimen. Arme mama. Dus gebruikt ze al haar kracht om onze rommel op te ruimen. En ik besef opnieuw hoe hard ze gewerkt heeft. Hoe ze zich gesmeten heeft in haar revalidatie. Hoe hard ze gevochten heeft om nog beter te worden. Mama is geen opgever, nooit geweest.

Ik kom een buurvrouw tegen, die vorig jaar tegelijk met mama op intensieve en op beroertezorg lag. Ze vraagt hoe het met mama is. Niet goed, zeg ik. Ze vindt het erg, want “jullie mama, dat is zo’n sterke vrouw”. Dat ze zo veel dingen deed in de kine waar zij, de buurvrouw, zich niet aan durfde wagen. “Je kan niet stappen en je moet het toch proberen. Ik zag dat allemaal niet zitten en jullie mama deed het allemaal.” De buurvrouw loopt weer rond en kan met ons praten. Mama niet.

Een sterke vrouw. Zo omschrijft zowat iedereen die mijn moeder ooit ontmoet heeft haar. Of ze haar nu al jaren kenden of maar één keer ontmoet hebben. Het moet opvallend zijn.

Geborgenheid

Het is de laatste maanden soms zo slopend geweest om in Zuienkerke te zijn. Zodra je in mama haar ogen keek begon ze te huilen. De drukte en vermoeidheid van een peuter en een zwangerschap/kleine baby en tegelijk proberen te raden wat mama wilde zeggen: drinken, de droogkas aansteken, het schuifraam dichtdoen? Weten dat we niets konden doen om haar beter te doen voelen. Elke keer dat we naar huis reden, voelde ik me leeg en op. En toen moest de werkweek nog beginnen. Of had ik moeilijke nachten met Thomas voor de boeg.

Maar nu het hoge woord eruit is, nu we weten waar we voor staan, geeft het me vreemd genoeg rust om hier te zijn. Kleine dingen voor mama doen: cola of haar deken brengen, met mijn kindjes bezig zijn terwijl mama zit te puzzelen, af en toe eens echt met mama praten. Ik hoef het niet te forceren. Door er veel tijd door te brengen, komen de gesprekjes spontaan. Door veel bij mama te zijn, kan ik proberen om nog alles te vragen wat ik wil weten, alles te vertellen wat ik nog kwijt wil.

Of ze het echt heel zeker weet. (Ja!) Of ze nog eens naar de zee wil. (Nee.) Of ze nog iets wil regelen voor haar eigen begrafenis. (Nee.) Of ze een overwegend goed of een overwegend slecht leven heeft gehad. (Goed!) De laatste keer ook dat ik bevestiging kan zoeken bij mijn mama. Of ze mij een goeie mama vindt. (Teurlik!) Vaak haalt ze haar schouders op, soms huilt ze, nu en dan lacht ze, met Martha haar eindeloze gebabbel of met Thomas zijn bloedmooie glimlach. Ze knuffelt me en streelt me met haar linkerhand. De geborgenheid van geknuffeld worden door mijn mama zal ik over enkele maanden voor eeuwig en altijd moeten missen. Ik zal niet meer tegen haar aan kunnen kruipen in de zetel. Het is een geborgenheid die ik nergens anders kan vinden dan bij de persoon die mij het liefste ziet van de hele wereld. Voortaan zal ik alleen nog zelf de mama zijn die geborgenheid moet bieden.

Die kleine dingen zijn waardevol nu ik weet dat ze er over enkele maanden niet meer gaan zijn. Gek hoe mensen eindigheid nodig hebben om de dingen naar waarde te schatten.

De moedigste keuze die een mens kan maken

Het verbaast me dat zo veel mensen zeggen dat ze dit niet hadden zien aankomen. Euthanasie, het is nooit ver uit mijn gedachten geweest sinds februari 2014. Ook al kreeg ik het woord zelf lange tijd niet over mijn lippen. Net omdat mama er al zo lang over bezig was dat ze zo niet verder zou willen leven. Toen we vorig jaar voor die moeilijke keuze stonden, opereren of niet, dacht ik: we grijpen die ene kleine kans die we hebben, omdat we niet anders kunnen, en als het niet meer goed komt, kan mama zelf beslissen dat ze zo niet verder wil. Mijn grootste angst was toen dat mama zelfs niet meer genoeg zou herstellen om nog wilsbekwaam geacht te worden, en dat we niets meer voor haar zouden kunnen doen. Dat heb ik toen ook geschreven: https://poffie.wordpress.com/2014/02/15/sandwichgeneratie/

Als ik de afgelopen maanden alleen nog eerlijk ‘niet goed’ kon antwoorden op de vraag hoe het met mama was, en me hardop afvroeg hoe het nu toch verder moest, dacht ik dat mensen tussen de regels lazen dat ik me afvroeg, niet OF mama euthanasie zou wensen maar WANNEER ze de vraag zou stellen. Ik heb het altijd zo vanzelfsprekend gevonden dat dit de uitkomst zou zijn als mama’s revalidatie niet voldoende resultaat opleverde, dat ik nu pas besef dat euthanasie eigenlijk helemaal geen normale, vanzelfsprekende keuze is.

Het doet me wel heel veel deugd dat voorlopig nog niemand gezegd heeft: “Zou je dat nu wel doen?” Vrijwel iedereen vindt het moedig dat mama deze beslissing neemt en dat wij haar steunen. Er is ongelooflijk veel respect voor haar beslissing, ook bij mama’s broers en zussen. Ook voor hen moet het nochtans niet gemakkelijk zijn. Hun kleinste zusje te vroeg moeten afgeven. Weer een Keirse minder op de volgende Paasmaandag. Maar iedereen die mama de afgelopen maanden gezien heeft, begrijpt waarom deze keuze de enige is die ze nog heeft.

Mijn mama is altijd een sterke, moedige vrouw geweest. Het feit dat ze deze beslissing durft te maken, is het ultieme bewijs van haar moed.

Er zullen ongetwijfeld ook wel mensen zijn die niet begrijpen waarom mama dit beslist. Misschien durven die mensen dat gewoon niet te zeggen tegen ons. Maar ik vraag me af wie in godsnaam zo zou willen leven. Fysiek voor alles afhankelijk zijn van anderen, maar niet kunnen uitdrukken wat je bedoelt.

Mama kan stappen, ja. Maar het duurt heel lang voor ze bijvoorbeeld nog maar aan de wc raakt. Intussen steken wij haar wel vijf keer voorbij omdat we iets nodig hebben uit de keuken en dan weer naar de gang rennen. We zijn jong, gezond en ongeduldig.

Doordat ze maar één hand kan gebruiken daar een kruk mee vasthoudt, kan ze moeilijk iets meenemen. Om haar cola van de tafel naar de bureau te brengen, moet ze hulp vragen. Als ze net van haar bureau naar de zetel is gestapt, en ze ziet haar trui op de bureau liggen, zegt ze ‘dju’. Dan vragen we: heb je nog iets nodig? En na minstens vijf andere dingen opgesomd te hebben, weten we dat het haar trui is die ze nodig heeft.

Ze kan niet spreken of schrijven. Raden, raden, constant raden, dat is de manier waarop wij al meer dan een jaar met mama communiceren. Een mens kan duizend-en-één dingen voelen en denken, en dat zijn voor iedereen andere dingen. Maar wij vertrekken altijd uit ons eigen referentiekader om te raden wat mama zou denken of nodig hebben. Sommige dingen vinden we snel: de gordijnen open, een glas cola, pillen … Om minder routineuze dingen te raden is veel tijd en geduld nodig, van haar en van ons. En vaak schudt ze met haar hoofd: laat maar zitten, je vindt het toch niet.

Ze heeft altijd graag gelezen maar kan dat nu niet meer. Ze kan zich met bijna niets bezighouden. Ze puzzelt om de tijd te doden, maar dat is ook ongeveer het enige wat ze nog kan doen.

De vraag voor euthanasie is nooit een donderslag bij heldere hemel. Het is het logische gevolg van de hel waarin ze al zestien maanden leeft.

Het is zoals mama’s broer Manu zei. Vroeger was je gestorven na zo’n beroerte. De medische wetenschap is zo geëvolueerd dat men mensen kan behandelen. Maar daar moet tegenover staan dat men mensen ook kan toestaan om voor de dood te kiezen als blijkt dat ze toch geen kwaliteitsvol leven meer kunnen hebben na die behandeling. Ik wou dat ik nooit met euthanasie te maken moest krijgen in mijn leven, maar ben wel opgelucht dat het bestaat en dat het in België wettelijk geregeld is. Ik denk ook vaak aan mijn tante, die na een banaal fietsongeluk al jaren in een verzorgingstehuis zit, niets meer kan en niets meer beseft, en voor wie haar kinderen niets kunnen doen.

Het is hard om gepland afscheid te moeten nemen van mama, maar nog veel harder zou het zijn om haar te moeten zien verder leven met al haar verdriet.

Een mens is maar zo sterk als wat hij moet dragen

‘Een mens is maar zo sterk als wat hij moet dragen’, zei mama’s jongste broer, met de verpletterende levenswijsheid die zo typisch is aan de Keirses.

Ik heb twee kindjes die 100 % aandacht vragen. De ene is een baby en zou in de ideale wereld nooit of te nimmer langer dan enkele seconden op zijn rug ergens in een bed of een park mogen liggen huilen. De andere is een tweejarige en als ze bewuste oprechte aandacht van mama krijgt gaat alles gewoon beter. Van zodra mama met haar gedachten elders is, krijgt ze kuurtjes en woedeaanvallen. En ook die zijn alleen te doorprikken met positieve aandacht en een engelengeduld om op haar in te praten, tot haar door te dringen, haar tot rede te brengen, haar hysterie te doorbreken. Ik kan me erin verplaatsen. Ik weet hoe ik me zelf voel als ik begin door te flippen en Mehdi het erger maakt door er niet of verkeerd op te reageren. Zo’n woede-uitbarsting wordt dan steeds erger tot je gewoon compleet over de rooie gaat.

Het is sowieso al moeilijk om die twee gecombineerd te krijgen, die eerste maanden met twee kinderen. Onderbroken nachten zorgen ervoor dat je emmertje geduld niet elke dag helemaal gevuld geraakt. Maar nu komt er dus bij dat mama beslist heeft en dat het bij mij harder aankomt dan verwacht. Ik dacht immers dat ik er klaar voor was dat ze dit ging beslissen. Maar klaar ben je nooit en een goed moment is het ook nooit. Het voelt alsof er een nieuwe fase is aangebroken in dat slopende rouwproces dat nu al 16 maanden bezig is. Ik heb twee kindjes die mijn aandacht vragen en tegelijk loop ik het klokje rond in cirkeltjes te draaien in mijn hoofd.

’s Ochtends lukt het allemaal nog. Zelfs na een nacht van twee uren slaap heb ik een beetje energie om er tegenaan te gaan, om enkele kleine dingen te ondernemen om de chaos te bedwingen. Maar tegen ’s avonds is de chaos in mijn hoofd compleet. Alles wat ik nog moet doen, overstemt elkaar. Prioriteiten zijn niet meer duidelijk. Dat ik nog pampers moet kopen wordt bij wijze van spreken even onoverkomelijk als de euthanasie van mijn moeder. Ik krijg angstaanvallen omdat ik niet weet hoe ik die enorme chaos ooit een klein beetje klein zal krijgen.

Slaap, dat is het enige wat ik nodig heb om het hoofd te bieden aan deze donkere periode in mijn leven. Slaap is het enige wat ik nu echt niet kan hebben. Ik lig naar het plafond te staren en pieker me stuk. Als ik dan eindelijk de slaap kan vatten, word ik wakker van de vroege hongersignalen van mijn zoon en begint het gepieker gewoon opnieuw.

Zo bloot als je zenuwen al liggen wanneer je pas een kindje de wereld in hebt geworpen, liggen ze nu bloter dan het blootste bloot. De komende maanden zou ik heel graag even niet mezelf zijn. Iemand anders, met andere zorgen. Voor even. “What does not kill me will only make me stronger”, probeer ik te geloven. Maar met alle respect, dat is werkelijk klinkklare nonsens. Ik wil niet sterk zijn. Ik wil geen reden hebben om sterk te zijn.

Want sterk zijn, wat is dat eigenlijk? Sterk zijn is gekke bekken trekken naar je zoon van negen weken enkele minuten nadat je moeder je met smekende ogen duidelijk maakt dat ze dood wil, dat ze het zeker weet, en regelen jullie dat dan even aub? Nee, dan hoef ik het niet, dat hele sterk zijn.