Maandelijks archief: oktober 2014

discriminatie discrimi toeti foeli koeti moeti, ‘k weet niet wat het is*

Van alle dingen waarmee deze nieuwe regering lijnrecht ingaat tegen alles wat ik belangrijk vind in het leven, vind ik dit het ergste: dat er zo lacherig wordt gedaan over discriminatie. Alsof er geen enkel probleem meer is. The american dream: als je maar hard genoeg werkt, kom je er wel, en dan doet je huidskleur, geaardheid of moedertaal er niet toe. Ze geloven het echt. Zoveel kortzichtigheid in één regering: dat jaagt me schrik aan.

In de mail waarin het stukske staatssecretaris voor asiel en migratie schrijft over ‘kutmarokkaantjes’ zegt hij verder ook dat holebi’s niet te veel moeten zagen, want ze hebben toch alles al verworven. In de raad van bestuur van het interfederaal gelijkekansencentrum mag iemand zetelen die discrimineren een mensenrecht vindt. Liesbeth Homans (Vlaams minister van gelijke kansen nota bene) laat geen kans onbenut om racisme te minimaliseren.

En Syriëstrijders met dubbele nationaliteit kunnen teruggestuurd worden naar een land waar ze misschien alleen nog maar met vakantie zijn geweest, volgens Gwendolyn Rutten. Ze zegt dat volwassenen de keuze hebben om afstand te doen van hun dubbele nationaliteit. Ten eerste: volgens mij is dat niet waar. Ik denk niet dat – ik geef maar een willekeurig voorbeeld – een Iraniër van de tweede generatie de vrije keuze heeft om zijn Iraanse nationaliteit af te stoten. Ten tweede: waarom moet een ander land opdraaien voor de jongeren die het Belgische onderwijs en de Belgische maatschappij blijkbaar niet heeft kunnen redden?

Ik weet niet of racisme een natuurlijke reflex des mensen is of aangeleerd gedrag. Daarvoor zit het te verankerd in onze maatschappij. Maar het doet er niet toe. Elk individu heeft de keuze en de verplichting om ertegenin te gaan. Hoe kan je nu verwachten dat individuen die verantwoordelijkheid gaan nemen als onze regeringsleden totaal respectloos met kansengroepen omgaan?

(* vrij naar Raymond van het Groenewoud)

Advertenties

Het kind van de rekening

Ik dacht: dat zijn we mooi weer even kwijt. Dat heb ik netjes van me afgeschreven. Dan kan het er de komende dagen misschien even wat minder militant aan toe gaan in mijn volle hoofd. Dan kan ik straks misschien weer wat positiefs schrijven, over Martha die haar naam zegt bijvoorbeeld. Dat dacht ik. En toen dit: bevallen vrouwen moeten voortaan een halve dag vroeger naar huis.

Kijk, ik wil zelf zo snel mogelijk naar huis deze keer, daar wind ik geen doekjes om. Maar het is godverdomme niet aan die rechtsemannenregering om te beslissen dat je als vrouw sneller naar huis MOET. Om te besparen. Die rode knop boven je hoofd is je zuurstof als je pas bevallen bent van je eerste en totaal niet weet van welk hout pijlen te maken. Weten dat er op 10 m. van je deur een handvol vroedvrouwen klaarstaan met raad en daad, zorgt op zo’n moment voor de broodnodige mentale rust.

What’s next? We kunnen misschien nog gaan besparen op bevallen tout court en meer inzetten op thuisbevallingen. Dat thuisbevallingen ook met de nodige risico’s gepaard gaan, nou dat vergeten we even voor de aardigheid. Want ja, de economie moet draaien hé, mevrouw.

Tijdskrediet is luxekrediet

Ik zie mezelf niet als grootste slachtoffer van wat er gaande is, integendeel. Als ik zo’n verhaal lees als dat van die alleenstaande moeder kan ik alleen maar blij zijn met hoe gemakkelijk mijn leven is. Tijdskrediet is luxekrediet, ja. In die zin dat ik de luxe heb om van de ene dag op de andere minder te gaan werken, ondanks een baby in huis, ondanks een zware afbetaling. Omdat we ‘hardwerkende tweeverdieners’ zijn met goede jobs op ons opleidingsniveau en een vast contract. Niet iedereen heeft die luxe. Ik dus wel en ik ben er dankbaar voor.

Maar tegelijk ben ik boos en bang. Boos omdat het discours dat momenteel gevoerd wordt over zaken als tijdskrediet doet uitschijnen dat iedereen die er gebruik van maakt een profiteur is. Bang omdat ik nog maar 29 ben en nu al zo moe. Omdat ik niet weet hoe ik dit tempo nog tot mijn 67ste moet volhouden. Omdat ik nu al amper tijd heb om voor mijn kind te zorgen, maar dat ik me er blijkbaar ook geen illusies over moet maken dat ik dat later ga kunnen goedmaken door voor mijn kleinkinderen te zorgen.

Ik lees in het regeerakkoord dat het zorgverlof en het palliatief verlof worden uitgebreid, ten koste van het ongemotiveerd tijdskrediet. “De controle op de motieven en de loopbaanvoorwaarden worden versterkt.” Ook in al zijn vaagheid baart dat voornemen me zorgen. Hoewel ik me nog geen enkel moment schuldig heb gevoeld over het zorgverlof dat ik sinds februari neem, weet ik niet zeker of ik de test zou doorstaan. Zou men met kwade wil niet kunnen motiveren dat ik (althans de laatste maanden) ‘oneigenlijk’ gebruikmaak van het mij toegekende zorgverlof? Ik ben elke vrijdag thuis, maar ik ben niet elke vrijdag bij mijn zieke moeder.

Wel verhuizen we om de twee weken ons volledige gezin naar Zuienkerke, zo’n 110 km. van waar we wonen. Wel ga ik één avond per week op bezoek bij mama in Gent. Op zo’n avond ben ik in totaal drie uur onderweg om 1 à 1,5 uur bij mama te zijn. Op zo’n avond zie ik Martha niet. Omdat Mehdi weer elke avond les heeft, springt zijn mama* heel vaak in. Hoewel bomma en kleindochter twee handen op één buik zijn, begint Martha het serieus te voelen dat ik haar vaak in de steek laat. Toen ik vorige donderdagavond bij mama op bezoek was, zat Martha in de auto met bomma. Er passeerde een trein. Martha wees naar de trein, zei ‘mama’ en begon net niet te huilen, omdat ze wist dat ik weg was. Hoe kan een moederhart niet breken als je dat hoort?

Ik heb die vrije vrijdag, dat zorgverlof, dus nodig om bij mijn dochter goed te maken dat ik er ook voor haar oma wil zijn. Ik heb die vrije vrijdag bovendien nodig om er zelf niet onderdoor te gaan. Want acht maanden het vuur uit mijn sloffen lopen en tegelijk op alle vlakken tekortschieten begint door te wegen. Ik heb het gevoel dat mijn reserves eraan moeten geloven. En dan moet ik nog meer dan een halve zwangerschap, een nieuwe kraamperiode en het leven georganiseerd krijgen met twee kinderen.

Het mag dus duidelijk zijn dat ik alvast zelf vind dat ik rechtmatig gebruikmaak van het zorgverlof. Maar los daarvan vind ik het doodzonde dat het tijdskrediet zonder motief wordt afgeschaft. Ten onrechte wordt deze vorm van tijdskrediet door de voltallige pers tegenwoordig afgeschilderd als wereldreistijdskrediet. (Griezelig trouwens dat de pers zo gretig een idee dat gelanceerd wordt door de n-va overneemt zondere enige zin voor kritisch denken, maar dat terzijde.) In realiteit gebruiken veel mensen het tijdskrediet zonder motief bijvoorbeeld om een opleiding te volgen of het even rustiger aan te doen nadat ze hersteld zijn van een kankerbehandeling. Een regering die het bezoek aan de psycholoog wil terugbetalen, zou toch moeten beseffen dat ook die vormen van zelfontwikkeling en zelfzorg goede motieven zijn om tijdskrediet te nemen. En dat ze dankzij het tijdskrediet zonder motief misschien op termijn zelfs minder psychologen gaan moeten terugbetalen.

* Als ik me probeer in te beelden hoe ons leven er zou uitzien zonder dat we constant altijd voortdurend de hele tijd elke dag elk moment op die bomma konden rekenen, krijg ik gewoon geen adem meer. (Die bomma is overigens nog maar 61. Als ik me probeer in te beelden dat zij moest werken tot 67 …)

Tot 67 werken

Tot 67 werken: dat is tien jaar langer dan mijn moeder heeft kunnen werken. Op 57 kreeg ze een beroerte. Boem, een zesde van haar hersenen weg en de helft van haar lichaam onbruikbaar. Gedaan met werken.

Tot 67 werken: dat is tien jaar langer dan mijn vader heeft gewerkt. Op 57 ging hij op brugpensioen. Hij is immers begonnen op 17 en deed fysiek zware arbeid. Laten we voor het gemak zeggen dat hij in het nieuwe systeem ook op vervroegd pensioen zou kunnen gaan. Vanaf 63. Dat zou betekenen dat hij nu één jaar van zijn pensioen had kunnen genieten voor hij voltijds de zorg voor zijn jongere vrouw moest opnemen. Zonder vervroegd pensioen was hij nog aan het werk. En wie zou dan voor mijn moeder zorgen?

Het is een waar feit dat mensen ouder worden. Maar kunnen we aub ook de leeftijd waarop mensen met hun gezondheid beginnen te sukkelen in rekening brengen voor we stellen dat werken tot 67 haalbare kaart is. Wanneer duiken kankers, beroertes en hartaanvallen gemiddeld op? En moeten we daar dan geen rekening mee houden?

Mijn grootmoeder is gestorven op 62 aan borstkanker. Mijn moeder kreeg borstkanker op 54. En mogelijk ten gevolge van haar borstkankerbehandeling kreeg ze op 57 die verschrikkelijke vernietigende beroerte. Het klinkt pessimistischer dan het is, maar ik geef mezelf 60 jaar. 60 jaar gezond leven. Alles wat ik extra krijg, zal ik in dank aanvaarden. Maar ervan uitgaan dat ik er maar 60 krijg, helpt me om de juiste keuzes te maken in het leven. En werken aan dit tempo tot 67 maakt op geen enkele manier deel uit van mijn plan.

Pick your battles

Pick your battles. Gemakkelijker gezegd dan gedaan dezer dagen. Er is zoveel om kwaad en verdrietig om te zijn, dat ik het meest van al goesting heb om mijn kopje in het zand te steken voor een jaar of vijf en dan eens te komen piepen of de mensen hun verstand teruggevonden hebben.

Waár ben ik nu het kwaadst over? Dat we moeten werken tot 67 en dat ik als twintiger nu al soms te moe ben om het allemaal rond te krijgen? Dat ik door de grote druk constant het gevoel heb tekort te schieten als moeder en dat ik nu zelfs niet voor mijn kleinkinderen ga kunnen zorgen? Dat alle soorten van tijdskrediet gezien worden als profiteren maar dat we tegelijk volop moeten inzetten op de vermaatschappelijking van de zorg? Dat een niet nader genoemde staatssecretaris van asiel en migratie er blijkbaar met een ‘sorry’ van af komt en dat racisme van de weeromstuit slechts selectief strafbaar is? Dat de cultuursector het niet alleen zonder middelen moet doen, maar ook nog eens haar kostbare energie moet besteden aan het tegenspreken van die aap van een Jo Libeer?

Gelukkig is de cultuursector welbespraakt en vechtlustig, dus die strijd is gestreden met schonere woorden dan ik ze ooit uit mijn pen kon toveren. Aan dat stukske staatssecretaris wil ik zelfs geen woorden meer vuil maken. Maar over het werken tot 67 en het gevecht tegen het tijdskrediet daarentegen moet me wel één en ander van het hart.

Wordt vervolgd, namelijk hier en hier.

To breastfeed or not to breastfeed – that is the question

Borstvoeding geven is één van de moeilijkste klussen die ik ooit gedaan heb. Het doet meer pijn dan een tandvleesontsteking; een kind aan je borst zuigt de energie zienderogen uit je weg; er gebeuren dingen met je lichaam waar je weinig controle over hebt. Er is niets rozewolkigs aan die eerste weken. Voor mij was het puur afzien en op de tanden bijten. Volhouden doe je alleen als je er goede redenen voor hebt. Of als je geen andere zorgen hebt.

Of ik het opnieuw ga doen? Ik. Weet. Het. Niet.

Hoe het was – part 1: Kafka in de kraamkliniek

Op de totaal tegenstrijdige adviezen die ik kreeg in de kraamkliniek ga ik niet eens ingaan. Of toch niet hier, misschien later eens. Het was bijwijlen hallucinant. Ik was dan ook erg blij dat ik na een week eindelijk naar huis kon.

Hoe het was – part 2: oost west, thuis breast

Het voeden bepaalde mijn volledige dag. Elke voeding duurde anderhalf uur: een half uur aan deze kant, een half uur aan de andere kant en dan nog een half uur afkolven met een baby op mijn schoot om met heel veel moeite nog 10 cc melk te verzamelen. Dat ritme was nodig om de melkproductie op gang te brengen. Dat gaat moeizamer na een keizersnede. Het heeft weken geduurd voor ik (net) genoeg melk had. Het heeft daardoor ook vier weken geduurd voor Martha weer op haar geboortegewicht was. Met alle ‘ik ben een slechte moeder’-verdriet van dien. En het heeft bovendien ook weken geduurd voor ik erachter kwam dat dit veel te maken had met die keizersnede. Niemand had me dat verteld.

Ik had geen tijd om te douchen. Doordat ik na mijn keizersnede moeilijk uit de zetel of mijn bed kon opstaan met een baby in de armen, vond ik tussen twee voedingen soms zelfs niet de moed of de tijd om even te gaan plassen of een helend zalfje op mijn tepels te smeren. Als er niemand in de buurt was om mij een groot glas water te geven, leed ik gewoon dorst. Ik heb soms liggen vloeken, tieren en brullen van de pijn terwijl ik Martha aanlegde. Die stress kan toch ook niet gezond zijn voor een kind, denk ik. Ik stelde bezoek van vrienden uit tot wanneer Mehdi thuis was, omdat ik geen getuigen wilde bij mijn beproeving, maar ik die mensen toch ook moeilijk uren alleen in mijn living kon laten zitten. Ik kwam niet buiten, uit angst dat ze honger zou krijgen. Mehdi moest ’s nachts alle pampers doen, omdat ik gewoon niet uit mijn bed raakte.

Nochtans had ik goede begeleiding en ondersteuning. Kraamhulp voor het huishouden. Familie die kwam koken, poetsen, strijken. Een vroedvrouw aan huis die me hielp bij de strijd met de borstvoeding, die me de juiste technieken aanleerde. Een moeder en een schoonmoeder en een pak vriendinnen die het ook gedaan hadden en me steunden. En toch heeft het vijf à zes weken geduurd voor borstvoeding geen corvee meer was, voor ik dacht: nu snap ik pas wat mensen er leuk of handig aan vinden. Maar ook toen het goed ging, stroomde mijn melk niet rijkelijk. Van overdadige melkproductie heb ik nooit last gehad.

(Net op de dag dat ik dacht: nu lukt het, kreeg ik overigens een mail van een vriendin: dat ik maar best al kon beginnen oefenen met flesjes voor het vrijgezellenfeest van een andere vriendin over enkele weken. Dan zou ik geruster zijn. Ze was zelf ervaringsdeskundige en het was met de beste bedoelingen, ze had honderd procent gelijk. Maar het kwam toch vrij hard aan, op dat moment.)

Toch volgehouden

Eén van de redenen dat ik heb volgehouden heet Celia Ledoux. Ik had haar boek ‘Slaap je al door?’ naast mijn bed liggen. Ik was erg dankbaar voor dat boek. Ik heb er oprecht heel veel aan gehad en dankzij haar boek heb ik borstvoeding vier maanden volgehouden. En op het einde vond ik het verschrikkelijk dat ik ermee moest stoppen, en mijn kind veel te vroeg naar de crèche moest brengen. Ze heeft ongelooflijk veel wetenschappelijke bewijzen verzameld waarom borstvoeding en hechting zo belangrijk zijn die eerste jaren. En haar boek is geschreven op een manier dat zelfs pas bevallen overbevraagde borstvoedende vrouwen de tijd vinden om erin te lezen. Ik heb heel veel respect voor wat ze schrijft, ook vandaag op De Redactie.

Maar ik heb het wel moeilijk met het idee dat borstvoeding van levensbelang is voor een kind. Ik heb heel veel gehad aan haar boek toen ik er middenin zat en het heeft me geholpen om niet op te geven. Maar nu het wat langer geleden is en ik erop kan terugblikken, vraag ik me af of ik het niet gewoon té lang heb volgehouden. Of het die verschrikkelijke pijn en sociale ballingschap wel waard was.

Voor alle duidelijkheid: ik heb vrij veel gelezen over borstvoeding in die periode en na drie maanden stond ik net niet op het punt om lid te worden van La Leche League. Ik ben een believer in het nut en de voordelen van borstvoeding. Maar het sop moet de kool waard zijn. Ik voelde me tijdens die eerste weken van borstvoeding simpelweg geen volwaardig mens.

En wat nu?

Of ik dat opnieuw wil doen, hangt van veel factoren af. Ik wil ook nog een beetje mama zijn voor mijn tweejarige. En er is de situatie met mijn mama waardoor mijn energiepeil sowieso al op een laag pitje staat. Ik weet niet of ik borstvoeding nog kan optellen bij deze som. Met een vermoedelijke tweede keizersnede verwacht ik ook dat het weer net zo moeilijk zal gaan als de vorige keer.

Natuurlijk wil ik de perfecte moeder zijn en mijn kind het allerbeste geven. Maar als de keuze gaat tussen aandacht en liefde voor twee kinderen enerzijds en moedermelk voor eentje anderzijds, dan weet ik wat zwaarder doorweegt. Opgeven zal niet zonder enig schuldgevoel zijn. Net zoals het niet zonder schuldgevoel is dat ik mijn kinderen op zo jonge leeftijd al naar de crèche breng. Maar ik vind dat ik ook nog een beetje pragmatisch mag zijn.

Anderzijds heb ik nu wel de uitermate verstandige beslissing genomen om vijf maanden thuis te blijven i.p.v. slechts drie maanden, wat het corvee van vijf weken veel meer in verhouding brengt tot de totale periode dat ik borstvoeding kan geven. En ik ga zo poliklinisch als mogelijk met een keizersnede bevallen, zodat ik zo snel mogelijk in de handen van één vroedvrouw ben i.p.v. de kakofonie van vroedvrouwen in het moederhuis.

Ach, ik loop er nu al maanden over te twijfelen. Waarschijnlijk zal het net zo gaan als de vorige keer. Ik neem me voor: ik probeer het en als het niet lukt, hou ik ermee op. En dan begin ik eraan en lukt het niet, maar krijg ik de vroedvrouw over de vloer die zegt dat ik moet volhouden, mijn mama, schoonmama en man die van hetzelfde overtuigd zijn, het boek van Celia Ledoux op mijn nachtkastje, en enkele weken later denk ik: fuck, dit doet zoveel zeer, maar ik ben nu al zo ver gekomen, het zou zonde zijn om het op te geven.

Maar als ik het opgeef, zal het wel mijn eigen keuze zijn, want hoewel borstvoeding geven niet alleen een zaak van de mama is – en ik het volledig eens ben met Celia Ledoux dat het tijd is dat borstvoedingscampagnes dat duidelijk beginnen te maken – is de welgeïnformeerde keuze om ermee op te houden uiteindelijk wel de beslissing van de vrouw die het moet doen.

Als iemand mij overigens een lactatiedeskundige kan aanraden die me kan begeleiden naar een pijnloze borstvoeding, by all means …