Maandelijks archief: maart 2014

1 jaar

Martha, je hebt het leven prachtig gemaakt.

Ik heb lang getwijfeld of het leven wel de moeite waard is om door te geven. Eerst zei ik absoluut geen kinderen te willen. Toen ik er plots wel wou, was ik het nog niet zeker. Er zijn alleen rationele argumenten te bedenken om het niet te doen. Alleen emotionele om het wel te doen. Ook toen ik zwanger was en eigenlijk een beslissing genomen had, bleef ik twijfelen. Of het wel een goed idee was dat ik – twijfelaar van geboorte – kinderen kreeg. Of ik het wel ging kunnen. Of ik mezelf niet beter kon laten uitsterven.

En toen kwam jij. Je werd geboren en ik werd een ander mens. Ik zag je en vond je onbeschrijflijk mooi. Het was liefde op het eerste gezicht. Ik was tot over mijn oren smoorverliefd. Jij bent van mij. Jij bent mijn kind. Ik ben jouw mama. Ik ga voor altijd voor jou zorgen. Ik gaf het leven door en op hetzelfde moment werd het leven de moeite waard om door te geven.

Je wordt al een jaar. Ik kan het niet geloven. Je bent zoveel veranderd in een jaar. En toch ben je nog steeds dat lieve kindje dat ik vorig jaar leerde kennen en dat mijn wereld op zijn kop zette. Wat ik voor je voelde op 18 maart 2013 was een liefde waarvan ik voorheen niet wist dat ik ze kon voelen. Zo’n grote liefde. Het was alsof mijn hart plots dubbel zoveel kamers kreeg. En toch lijkt het alsof ik je elke dag nog liever zie.

Ik koester elk detail van je, van je wimpers tot je tenen, van de geur van je hoofdje tot de kleur van je ogen. Ik kan niet wachten tot je kan stappen en spreken, en tegelijk wil ik dat je zo lang mogelijk mijn klein baby’tje blijft. Ik wil dat je voor eeuwig je hoofdje op mijn borst laat rusten wanneer je moe bent en mijn haren streelt tot je in slaap valt. Ik wil dat je voor eeuwig bijna opstijgt van blijdschap wanneer ik je ’s avonds kom ophalen in de crèche. Maar ik ben ook nieuwsgierig om je te zien opgroeien. Ik wil weten welke keuzes je zal maken, wie je zal worden, hoe je zal zijn. Nu jij er bent kan het leven niet snel genoeg gaan. Nu jij er bent kan het leven niet lang genoeg duren.

Gelukkige verjaardag, mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt verdrietje. Ik hou van je, ik hou van je, ik hou van je.

DSCF1795

En met jou?

Hoe is het met mama, vraagt men. Niet goed, wil ik zeggen, maar dat is niet wat mensen willen horen. Ze gaat toch vooruit, langzaam maar zeker? Vooral langzaam, denk ik, maar dat is niet wat mensen willen horen. En hoe het met papa is, vragen ze. Beter dan met mama, denk ik, maar dat is niet wat ze bedoelen. Hoe het met ons is, vragen mensen minder. Alsof mama maar een bijkomstigheid in ons leven is nu we niet meer thuis wonen. Alsof het nu aan ons is om de zorg voor niet één maar voor twee ouders op ons te nemen, maar dat mensen ons – ondankbare kinderen – daaraan moeten herinneren omdat we anders zouden vergeten dat het voor papa zwaar is.

Maar papa is sterk genoeg, en Julie is sterk genoeg, en Mattias is sterk genoeg en ik ben sterk genoeg. Mensen moeten ons er niet aan herinneren dat het voor de anderen ook zwaar is. Dat beseffen we maar al te goed. We beleven namelijk hetzelfde en we voelen hetzelfde. Onmacht. Woede. Onbegrip. Onzekerheid. Frustratie. Verdriet. Angst. Gemis. Gemis. Gemis.

’s Nachts wakker liggen woelen omdat ik in een zeldzame vlaag van realiteitszin besef hoe ondenkbaar het is dat de enige persoon aan wie ik Martha durfde toevertrouwen in haar eerste levensmaanden nooit meer zelf voor Martha of voor het kindje van Julie en An zal kunnen zorgen. Dat de enige chauffeur die ik bekwaam achtte om Martha naar huis te brengen van het moederhuis in de aangevroren sneeuw nooit meer zal autorijden. Dat ze na zevenendertig jaar in hetzelfde bedrijf nooit meer zal gaan werken. Dat het einde van haar carrière abrupt kwam in plaats van met bloemen en tromgeroffel zoals het hoorde. Dat de bridgeclub nu het kampioenschap zal moeten proberen te winnen zonder haar. En hoe verschrikkelijk erg dat voor haar is, en zo oneerlijk. Hoe ze nog boordevol plannen zat. Hoe ze recht had op het geluk om oma te zijn. Hoe het leven haar dat geluk, die zorgeloosheid, die mooie momenten nog verschuldigd was na alles wat ze al heeft meegemaakt.

deze week

Dinsdag wordt Martha één jaar. Hoe de omstandigheden ook zijn, je kan en mag niet aan de eerste verjaardag van je kind voorbijgaan. Dinsdag krijgt ze een kroon en een pannenkoek en wel duizend zoentjes. Dinsdag trekken we de laatste ‘maandfoto’. Dinsdag gaan we met ons gezin op stap. Dinsdag gaan we het eerste levensjaar van ons wonderkind vieren alsof er niets aan de hand is.

Woensdag gaat mijn mama weer onder het mes. Haar botluik wordt teruggeplaatst. Het lijkt een enorme stap terug. Narcose. Kunstmatige coma. In spanning afwachten bij de telefoon op nieuws over de operatie. Wachten in de gang tot de deuren van de afdeling intensieve zorgen opengaan voor het bezoekuur. De wrange geur op die afdeling. Wachten tot ze wakker wordt. Wachten tot haar verband weg mag. Wachten tot de wonde geneest.

Zondag is het Martha’s verjaardagsfeestje. Zondag zijn er ballonnen, cadeautjes en taart. Zondag is het feest. Iedereen zal blij zijn. Maar ook een beetje verdrietig. En in gedachten een beetje in het ziekenhuis. Ik zal me naast blij ook schuldig voelen. Omdat we feest vieren zonder dat mama erbij kan zijn.

Ik had het me anders voorgesteld. Iedereen zou naar Berchem komen. We zouden de tafel uitschuiven en alle stoelen van de zolder halen. Mijn mama zou hier toekomen met een stralende glimlach, kleurrijke kleren en vol trots op haar kleinkind, haar god. Ze zou snel snel haar sigaretje oproken aan de voordeur om snel snel naar binnen te kunnen lopen en Martha te knuffelen. De oma’s zouden een beetje van ‘bomma Wilrijk en bomma Berchem’ spelen (zie Loslopend wild) en vechten om Martha op de schoot te mogen nemen. Iedereen zou blij zijn en Martha helpen om haar eerste kaarsje uit te blazen. Iedereen zou veel te lang blijven plakken hoewel het de volgende dag werkedag is. Maar dat zou niet erg zijn, want het is maar één keer Martha’s eerste verjaardag.

Een ander scenario was ondenkbaar …

dag Sofietje / apraxie

‘Dag Sofietje’, zei ze. Ik zet dat op facebook en iedereen juicht mee met mij. Maar de realiteit is complexer dan dat. Het is natuurlijk prachtig dat ze dat zei. Zo spontaan dat ze het zelf niet door had dat ze het gezegd had. En dat is nu net het probleem: ze kan spontaan spreken. Als het haar niet lukt om te zeggen wat ze wil zeggen, flapt ze eruit: ‘godverdomme toch’. Zuiver en duidelijk. Maar de essentie blijft dat het haar niet lukt om iets te zeggen waarover ze eerst moet nadenken. Ze heeft een afasie en een apraxie. De automatische taal werkt nog, maar de functionele taal niet. En taal dient niet om op bevel de dagen van de week op te sommen of tot tien te tellen. Taal dient om te communiceren en dat kan ze momenteel niet, behalve met haar mimiek. Dat niemand ons kan of wil vertellen hoeveel beter het nog kan worden, helpt niet. Onze opdracht is de moed niet te verliezen en de hoop niet op te geven. Dat lukt de ene dag al beter dan de andere.

zorgverlof

Ik werk nu dus halftijds. De andere helft van de tijd neem ik verlof medische bijstand. Daar krijg ik een aalmoes voor van de RVA. Ik vind het zelf een beetje excessief. Van vol- naar halftijds is meteen een hele aanpassing. Bovendien is mijn medische bijstand voorlopig maar gering, aangezien we alleen maar op bezoek kunnen gaan bij mama en dat de zorg voorlopig nog door professionals gebeurt.

Maar ik heb er mijn kop al over gebroken en weet niet hoe ik het anders moet doen. Ik wil immers dat Martha vaak op bezoek kan bij haar oma. Maar ik wil ook dat Martha op geen enkele manier lijdt onder wat er gebeurd is. Martha slaapt nog veel (12u ’s nachts, 2 uren ’s ochtends en 2 uren ’s middags + 3 maaltijden = niet meer veel tijd om te spelen) en ik wil dat ze tussenin zorgeloos kan spelen en dat ze dan niet telkens in een auto hoeft te zitten. Toen ik de keuze maakte om in Antwerpen te blijven, wist ik dat deze dag er ooit ging komen: de dag dat mijn ouders zorg nodig hebben. En dat de afstand ons dan zuur zou opbreken. Maar ik dacht ook dat die dag over twintig jaar ging komen, wanneer ons leven netjes op orde was. Niet nu, in de bètafase van ons leven.

Ik had me voorgenomen om de perfecte moeder te zijn. Ik wil heel veel positieve aandacht geven aan mijn kind. Met een fulltime zie ik haar sowieso niet veel, maar als we samen thuis en wakker zijn, ben ik met haar bezig. Ik wil haar heel veel structuur geven, een jong leven zonder stress. Ons vaste avondritueeltje: badje, flesje, knuffelen met mama. Ik wil haar positief stimuleren. Veel samen spelen en in boekjes kijken. Veel naar buiten gaan en de dingen ontdekken. Mama is er niet altijd, maar als mama er is, is ze er honderd procent.

Dat lukte me allemaal vrij goed, tot enkele weken geleden. Plots moest ik mijn dochter die een dutje nodig had in slaap proberen te wiegen in duffe ziekenhuisgangen. Plots moest ik elke avond het avondritueeltje overslaan, omdat haar bedtijd overeenkwam met het bezoekuur op intensieve zorgen. Plots moest ik meerdere keren per dag wegrushen, terwijl ik haar met haar grote onbegrijpende ogen achterliet aan de (overigens zeer goede) zorgen van haar tantes. Plots kreeg ze dagenlang potjesvoeding in plaats van vers. Weg structuur. Weg routine. Dus bovenop de vertwijfeling omdat ik mijn moeder misschien (helemaal of voor een stuk – maar voor welk stuk dan?) kwijt was, had ik het gevoel dat ik zelf enorm tekortschoot als moeder.

Ik kan onmogelijk de perfecte moeder én de perfecte dochter zijn. Maar ik kan wel proberen. En als dat betekent dat ik dan maar even de allerminst-perfecte-werknemer / feministe moet zijn, is dat maar zo.

Vuve

Enkele dagen geleden dachten we dat je misschien moeilijkheden had met de klank ‘u’. Omdat je moment zei in plaats van ‘nu’. Omdat je enkele keren ‘Sofie’ had gezegd, en ook een paar keer ‘Mattias’, maar nog niet ‘Julie’. Toen ik tegen Mehdi vertelde dat je tot tien had geteld, zei hij: “Daar zit geen ‘u’ in zeker?”. En ik: “Jawel, één twee drie vier ‘vuve’ …”.