Maandelijks archief: februari 2014

valkuiltje

De valkuil van de zorgsector, zegt Julie. De verplegers en verpleegster spreken tegen mijn moeder als tegen een kleuter – in verkleinwoordjes – of als tegen een bejaarde – roepend. Ze doen het zeker niet allemaal, maar telkens ik het iemand toch hoor doen, breekt mijn hart. Ik heb de neiging om te roepen: ‘ze is niet doof!’. Of een bordje met haar IQ boven haar bed te hangen. Een beetje respect voor deze dame aub. Zelfs met een zesde van haar hersenen kwijt en een ingedeukt hoofd is ze nog slimmer dan de helft van de wereldbevolking. Maar mijn pragmatische zelf haalt dan weer de bovenhand. Ze moeten wel nog voor haar zorgen. Ik zwijg maar.

Advertenties

identiteit

Hallo, u spreekt met de mama van Martha. Hallo, u spreekt met de dochter van Marleen Keirse. Leren spreken. Opnieuw leren spreken. Leren stappen. Opnieuw leren stappen. Een papfles Nutrilon van Nutricia. Een baxter Nutrison van Nutricia. Fontanelletje. Botluik. Mijn dochter en mijn moeder verankeren me in dit leven. In zweef voor de helft in het ijle.

adequaat

Vrijdag hadden we een grote opstoot van hoop. Je reageerde duidelijk op wat we zeiden en kon al een beetje lachen. Sindsdien heb je echter geen zinnig woord meer gezegd. Nu en dan Sofie, maar dat is niet altijd het correcte antwoord op de vraag. Je antwoorden (ja en nee, gesproken hetzij geknikt) zijn niet altijd ‘adequaat’, zoals de neuroloog het zo geleerd noemt. Je hebt een dipje. Maken de antidepressiva je suf? Ben je (overigens geheel terecht) kwaad en heb je niet veel goesting om hard te werken voor iets wat je drie weken geleden gewoon nog kon? Is er toch meer weg dan we vrijdag vermoedden? We weten het niet. Maar we geven de hoop niet op. Het leven is voortaan met ups en downs. Daar valt niets aan te doen behalve het aanvaarden.

We dachten dat we je kwijt waren …

… maar je bent er nog. Twee weken hebben we gedacht dat het voorbij was, dat we je helemaal kwijt waren. Bij Mattias was het al wat doorgedrongen. Julie en ik konden het nog niet bevatten. Maar je bent er dus nog. En beter dan we vorige week durfden hopen. Je gelooft het nu zelf nog niet. In vergelijking met twee weken geleden is het bitter weinig wat je nu kan. Maar het is zo veel in vergelijking met wat ze begin vorige week voorspelden, in vergelijking met de gesprekken over je wilsverklaring en euthanasie, in vergelijking met de harde klappen in ons gezicht na elk gesprek met een dokter of een verpleger.

Je kan mijn naam nog zeggen. Je kan nog lachen met onze grapjes. Je kan zelfs lachen met je beide mondhoeken. Je kent nog het verhaal van Nissan Patrol en weet nog dat de pakkers bij de dieven zitten en de dieven in het kot. Je weet dat je erdoor moet. Je weet begot zelfs nog dat je bridgemarathon had dit weekend en sycronclub binnenkort. Je kan lachen met papa die midsummer murders niet begrijpt. Je vraagt ‘wadde?’ als ik na een gesprek met de verpleger niet luid genoeg navertel wat hij gezegd heeft.

De vooruitgang die je deze week gemaakt hebt is enorm. Jooris zei vorige week al: ‘ze goat ons nog doen verschieten, da meisje dat in de jaren 70 informatica ging studeren en dat dat toch niets voor een meisje was, ze goat ons were doen verschieten …’ Zoals Julietje zei: ‘nadat jij genezen bent, gaan de dokters weer naar school moeten.’

de dingen moeten in evenwicht zijn

Alles ging te goed. We hadden met alles chance. Het perfecte huis gekocht voor de neus van drie andere koppels die het huis ook perfect vonden. Net op tijd een andere job gevonden. Een lachbaby gekregen in plaats van een huilbaby. Ook de kleine dingen vielen te vlotjes in hun plooi. Twee dagen op voorhand reserveren in het restaurant dat al acht weken volgeboekt is en toch een plaatsje krijgen, zo’n dingen.

Het was dat laatste banale feit dat me opzadelde met een angstig gevoel in de maag: ik heb niet zoveel chance in het leven, het gaat mij niet zo voor de wind. Als dit allemaal goed gaat, dan moet het straks wel grondig fout gaan, het kan niet anders. Ik heb het zelfs een paar keer tegen Mehdi gezegd. Dat ik stiekem een beetje geloof in karma en dat ik ook geloof dat geluk en pech min of meer eerlijk verdeeld moeten worden over een mensenleven. Dus dat we met zoveel geluk het risico liepen op heel veel pech.

En kijk, ik heb helaas gelijk gekregen. Ik had liever duizend dagen droge stuutjes gegeten dan één keer in De Veranda. Ik had liever nog steeds in de Wolstraat gewoond. Ik had liever eens ’s nachts met Martha moeten rondlopen. Als dit maar niet had hoeven te gebeuren. Als het leven nu niet zo totaal moest instorten.